Lezing Toke Elshof bij VKO

KATHOLIEK ONDERWIJS: UITGEDAAGD TOT BEZIELING EN VERBONDENHEID

Lezing van Toke Elshof tijdens de najaarsconferentie van het VKO, het centrum voor katholiek onderwijs, op 8 oktober 2013 te Utrecht gehouden.


Op het eerste oog is de relatie tussen het katholieke onderwijs en de katholieke traditie oppervlakkig. Met enige teleurstelling wordt soms gesteld dat die K niet zozeer staat voor katholiek, maar voor kwaliteit en dat katholieke scholen hun succes danken aan het feit dat ze niet doen wat ze zouden moeten doen, namelijk werk maken van hun katholieke identiteit. Het eerste waar men zich dan aan stoort is het open aannamebeleid. Katholieke scholen zijn niet meer zoals vroeger, scholen  van en voor katholieken. Leerlingen, docenten, directeuren en bestuursleden zijn niet meer allemaal katholiek. De religieuze diversiteit, die in het verleden tot de omgeving van het katholieke onderwijs behoorde, is vandaag de dag onderdeel van dit onderwijsleven. De tweede irritatie betreft het godsdienstonderwijs, dat niet meer zoals vroeger monoreligieus is en leerlingen inleidt in het leven en de leer van de katholieke kerk. Tegenwoordig maken scholen, in  lijn met het Algemeen Directorium voor de Catechese, onderscheid tussen catechese,  die als een kerkelijke taak wordt gezien en het schoolse godsdienstige of levensbeschouwelijke onderwijs dat daar eventueel op aan kan sluiten. En de derde ergernis heeft doorgaans te maken met de band tussen de katholieke school en de katholieke kerk, die krijgt soms zo weinig structureel en inhoudelijk vorm krijgt, dat van een feitelijke verbondenheid amper nog gesproken kan worden.

In deze inleiding, en in de bundel met lezingen van mijn hand die vandaag wordt gepresenteerd bewandel ik een andere weg. Aan het eind van mijn betoog kom ik nog te spreken over bovengenoemde knelpunten maar ik kom daar, door u voor te stellen om naar het katholieke onderwijs te kijken als onderwijs  dat op een impliciete manier katholiek is.

Ik vertrek daartoe bij mijn familieonderzoek waarbij ik onder drie generaties van kerkelijke en onkerkelijke katholieke families heb onderzocht hoe ze het katholieke geloof hebben ervaren in hun gewone leven. Ik neem dat onderzoek als vertrekpunt omdat ik vermoed dat de beleving van binnen uit in de katholieke familiewereld relevant kan zijn voor de beleving van binnen uit in de katholieke onderwijswereld en vandaag wijs ik u dan ook graag op drie punten van overeenkomst.

De eerste overeenkomst betreft de voorkeur voor geloof dat belichaamd wordt. Dat is namelijk een belangrijk punt in mijn familieonderzoek: katholieke geloofsbeleving wordt  belichaamd. Het is ethisch georiënteerd, gericht op het bijdragen aan het sociale leven. Katholieken, die over het geheel genomen een grondige afkeer hebben van kerkelijke dogma’s, hebben het ‘Als je maar een goed mens bent, dan ben je gelovig genoeg’, tot een soortement van nieuw dogma verheven dat in elke generatie en in allerlei toonaarden terugkomt. Volgens kerkelijke en onkerkelijke katholieken kan godsdienstigheid zich expliciet uitdrukken bidden of naar de kerk gaan, maar ze vinden het belangrijker, dat dit geëxpliciteerde geloof impliciet naar voren komt in een geloofwaardige levenswandel; in activiteiten en houdingen die dan wel niet direct herkenbaar zijn als godsdienstig, maar die wel degelijk uit de godsdienst voortkomen: de liefdevolle zorg voor kinderen, aandachtige nabijheid bij zieke buren, blijvende betrokkenheid bij vluchtelingen, bereidheid om zorgvuldig om te gaan met de schepping, tijd en geld geven aan wie dat nodig heeft dichtbij en veraf. Om maar een paar voorbeelden te noemen. Het besef dat expliciet gemaakt geloof als bidden of naar de kerk gaan alleen geloofwaardig wordt gevonden als dit impliciet doorwerkt, vormt een van mijn belangrijkste onderzoeksresultaten.

Toen ik het onderzoek “Typisch christelijk” las dat Anneke de Wolff een jaar of tien geleden deed naar de identiteit van christelijke scholen, ondersteunde dit mijn vermoeden dat belichaamde godsdienstigheid ook in de onderwijswereld een rol speelt. In haar studie onderscheidt ze namelijk enkele vindplaatsen van religieuze identiteit en naast  de expliciet godsdienstige, noemt ze de nog de pedagogische, de didactische en de organisatorische dimensie. Volgens haar werkt de christelijke identiteit daar allemaal in door. Opvallend genoeg noemt ze in haar studie nog een vijfde dimensie, namelijk de maatschappelijke, die naar voren komt in de visie van de school op de betekenis van de school voor de samenleving. Dat is met name opvallend omdat ze deze maatschappelijke dimensie enkel op het katholieke onderwijs betrekt: het is met name de NKSR die hier aandacht volgens haar aandacht voor heeft. Daarmee doet ze iets heel bijzonders: ze brengt het maatschappelijke domein ter sprake als een domein waarop  godsdienstige identiteit van het katholieke onderwijs betrekking heeft. In die zin mag de aandacht voor de maatschappij dus ´typisch katholiek` genoemd worden.  Contact met katholieke scholen bevestigt de indruk dat de gerichtheid op de samenleving, op de gemeenschap min of meer heilig zijn binnen het katholiek onderwijs. Daarbij valt te denken aan de gemeenschap die de school zelf vormt en die niet zelden als een waardengemeenschap wordt omschreven, daarbij valt daarnaast te denken aan de omringende samenleving waar het onderwijs en de vorming aan bij moeten dragen bijvoorbeeld in maatschappelijke stages. Niet alleen wijzen allerlei mission statements,die de formele identiteit uitdrukken, daarop. Maar ook in de geleefde identiteit: in wat ouders, docenten en directeuren en bestuurders belangrijk vinden tekent zich de grote waarde van de gerichtheid op de gemeenschap af. Op grond daarvan mag je concluderen dat katholieke scholen op katholieke families lijken: katholiciteit krijgt impliciet vorm in waarden die belichaamd worden en die gericht zijn op het goede leven en samenleven. 

Het tweede punt van overeenkomst waar ik u op wil wijzen gaat over de samenhang tussen dat belichaamde geloof en kerkelijke opvattingen. Binnen mijn familieonderzoek ontdekte ik dat de geloofsbeleving in het huiselijke leven sporen draagt van de kerkelijke visie, en de ontwikkeling daarbinnen, op bijvoorbeeld huwelijk en seksualiteit, de visie op opvoeding van kinderen, de taak om als gelovige je in te zetten voor een betere wereld, om maar een paar voorbeelden te noemen. Katholieken bleken vaak veel meer verbonden te zijn met de kerkelijke visie dan ze zelf wisten of soms ook wilden zijn. Dat riep bij mij de vraag op of de waarden die impliciet een rol spelen binnen het katholieke onderwijs, ook verweven zijn met de visie van de katholieke kerk. En nadere bezinning op de impliciete religiositeit die binnen de pedagogische, de onderwijskundige, de organisatorische en de maatschappelijke dimensie uit wordt gedrukt deed me beseffen dat hier de belangrijkste thema’s van het katholieke sociale denken feitelijk in doorwerken. Bijvoorbeeld in de visie op onderwijs als dienst aan het kind: gericht op de vorming van hoofd, hart en handen. En in de vorming op religieus en levensbeschouwelijk vlak. In het besef dat de school een leer- en leefgemeenschap is waar bepaalde waarden hoog worden gehouden. In de opvatting dat de school leerlingen leert om actief en positief bij te dragen aan de maatschappij. In de aandacht voor de participatie van ouders, en in de inbedding van katholieke scholen binnen hun directe omgeving. In deze manieren van doen, komen de centrale thema’s uit het katholieke sociale denken naar voren: de personalistische, relationele mensvisie, de zorg voor het algemeen welzijn, rechtvaardigheid, solidariteit en subsidiariteit. Scholen die van deze thema’s erk maken zijn dus op een impliciete manier, wel degelijk verbonden met de katholieke traditie. De katholiciteit wordt belichaamd: krijgt vorm in een godsdienstig gefundeerde waardeoriëntatie.

Het derde punt dat ik wil noemen betreft de samenhang tussen het impliciete en het expliciete. Mijn familieonderzoek wijst namelijk uit, dat katholieken in hun gerichtheid op de maatschappij en ook in hun opvoeding op een bepaalde manier onderscheidend zijn, en wel op een bescheiden, niet demonstratieve manier. In dat onderscheidende gaat het om stille praktijken van volgehouden betrokkenheid, in de bereidheid om zich te laten raken door anderen en zich blijvend in te zetten, in de houding van openheid ook voor vreemden. Want die ander, dat is eigenlijk het idee, dat is niet een vreemde met wie je het moet zien uit te houden, die ander wordt een naaste in het beroep dat hij op je doet. In de ander met een kleine letter wordt de Ander met een hoofdletter zichtbaar. Een uitkomst uit mijn onderzoek is, dat die bereidheid en het vermogen om op die stille en impliciete manier onderscheidend te zijn, nauw verbonden is met de explicitering van dat geloof. Het helpt mensen als ze op de een of de andere manier hun bezieling delen en verdiepen: door het samen met anderen te verbinden met het grote bezielende verhaal van het Evangelie. Expliciet godsdienstige vormen als bidden, contact met andere gelovigen, in de Bijbel lezen of naar de kerk te gaan helpen mensen erbij om dat impliciete geloof vorm te blijven geven. Impliciet en expliciet hangen dus samen.

Het is de vraag wat dit betekent voor het katholiek onderwijs nu de samenleving seculier is geworden en het misschien voor de hand ligt om niet al te veel werk te maken van de katholieke identiteit. In wat nu volgt bewandel ik opnieuw een andere weg. Ik wil u met behulp van drie voorbeelden laten zien dat de seculiere context niet vraagt om een nivellering van de katholieke identiteit, maar uitnodigt tot een heel duidelijke explicitering daarvan. Door de katholieke identiteit duidelijker te expliciteren, kan de katholieke school onderscheidend zijn en invulling geven aan wat ze als belangrijke punten van haar missie beschouwt: het dienstbaar zijn aan de vorming van leerlingen en de maatschappij.

De eerste voorbeeld betreft het verlangen naar bezield gemeenschapsleven. Enkele studies wijzen erop dat de katholieke school juist ook voor onkerkelijken belangrijk wordt. Ze laten zien veel ouders van leerlingen binnen het katholieke basisonderwijs zichzelf beschouwen als rooms-katholiek (bijna 67 %) terwijl ze niet allemaal kerkelijk zijn. En 50 % van de ouders binnen het voortgezet katholiek onderwijs is katholiek maar die zijn ook beslist niet allemaal kerkelijk. Er is dus een grote groep ouders die kiest voor katholiek onderwijs terwijl ze niet katholiek zijn en een nog veel grotere groep ouders is ook niet kerkelijk betrokken. Juist dat maakt bepaalde onderzoeksresultaten zo interessant, zoals bijvoorbeeld het Nijmeegse onderzoek uit 2008 ‘Inspireren tot participatie’ waar ik twee voorbeelden uit wil noemen.

Allereerst de waarneming dat leerkrachten, leerlingen en ouders binnen het katholieke onderwijs behoefte hebben aan meer vieringen binnen de school, dan er feitelijk zijn. Dat verlangen naar liturgie leeft niet alleen bij kerkgangers en religieus opgevoede mensen maar ook bij de onkerkelijke docenten, leerlingen (VO) en ouders (PO). Het tweede voorbeeld vormen de leerlingen binnen het VO, die behoefte hebben aan een gebedsruimte binnen de school. Ook hierbij geldt dat dit verlangen nauwelijks samenhangt met de mate van kerkelijke betrokkenheid. Hoewel dit slechts een paar voorbeelden zijn, wijzen ze toch op een tendens. Want Leuvens onderzoek uit 2012 naar de visie van ouders op het Vlaamse katholieke onderwijs stelt iets vergelijkbaars vast. Maar liefst 70% van alle ouders is voorstander van katholiek onderwijs, variërend van mild positief tot groot voorstander. Omdat slechts 9 % van die ouders kerkbetrokken is, zien we ook hier dat onkerkelijkheid niet tot irrelevantie van het katholiek onderwijs leidt. Integendeel. Het is de seculiere context die ouders tot de stellingname brengt dat de godsdienstige identiteit wel wat meer in de verf mag worden gezet.

Hoe is deze merkwaardige paradox te verklaren? Mijn eigen familieonderzoek wijst in dat verband op het verzuilde verleden. Vroeger had de katholieke school binnen de godsdienstige opvoeding een duidelijke taak die complementair was aan de taak van de ouders en de kerk. Wat de school deed, hoefden de ouders met andere woorden niet te doen. Dat heeft geleid tot een verwachtingspatroon dat ook in deze tijd doorwerkt: dat de katholieke school op godsdienstig vlak doet, wat ouders zelf niet (denken te) kunnen. Het uit het verleden overgedragen katholieke verwachtingspatroon van de complementariteit tussen school en gezin draagt in een onkerkelijke context bij aan een ouderlijke wens dat de katholieke school werk maakt van de godsdienstige identiteit. Daarnaast speelt de katholieke gerichtheid op de gemeenschap, die de geloofsbeleving van katholieken kenmerkt, een rol. Generaties lang kreeg het katholieke leven van de wieg tot het graf vorm, langs vanzelfsprekende en gemeenschappelijke patronen. Dat de vanzelfsprekendheid om bij een kerk te horen binnen enkele decennia plaats maakte voor een bijna net zo massale en vanzelfsprekende onkerkelijkheid, tekent misschien wel bij uitstek de gerichtheid op gezamenlijkheid.

Echter: die massale onkerkelijkheid heeft het verlangen naar een gemeenschap onbeantwoord gelaten, terwijl binnen de geïndividualiseerde cultuur met steeds meer flexibeler banden het persoonlijke verlangen om verbonden te zijn met een overstijgende levende gemeenschap juist wordt aangejaagd; het verlangen naar een bezield verband waar je niet ‘uit kunt vallen’. Het katholicisme biedt daar nog steeds een antwoord op, ook aan onkerkelijken. Soms in de cultuurkatholieke vorm van gedeelde normen en waarden en van gemeenschapsoriëntatie. En soms als religieusritueel kader dat mensen helpt in hun verlangen naar transcendentie en een omgang met hoogte – en dieptepunten in het leven.

En zo werkt het verleden in het heden door: als verwachtingspatroon ten aanzien van het katholieke onderwijs en in het verlangen namelijk dat de school zelf als zo’n bezield en bezielend verband functioneert. Zo bezien, is het juist vanwege de onkerkelijkheid dat men wil dat kinderen in aanraking komen met een gemeenschap die bezield is, waar een katholieke spiritualiteit handen en voeten krijgt en waar niet de institutionele en dogmatische aspecten van de kerk centraal staan maar de aspecten van het vieren, de ethiek, de beleving van saamhorigheid. De katholieke school beantwoordt aan een verlangen naar een bezielde gemeenschap, juist omdat zo’n gemeenschap buiten de school niet zomaar  meer voorhanden is. En als zodanig voegt de explicitering van de katholiciteit iets toe, juist in de seculiere context.  

Het tweede voorbeeld betreft het verschijnsel dat door Peter Nissen het religieuze analfabetisme onder jongeren wordt genoemd. Terwijl oudere generaties min of meer vertrouwd zijn met godsdienstige verhalen, symbolen, waarden en normen en ze de doorwerking van de godsdienst herkennen in het culturele en maatschappelijke leven en de waardeoriëntatie, zijn jongeren religieus analfabeet. Jongeren groeien op zonder als vanzelf in aanraking te komen met godsdienstige namen, rituelen, symbolen en inzichten, waardoor ze een groot gedeelte van de maatschappij en de cultuur niet kunnen begrijpen maar waardoor ze ook niet vertrouwd zijn met taal, symboliek of een religieus referentiekader waar ze een beroep op kunnen doen bij grenservaringen. Allerlei onderzoek wijzen erop dat de levensoriëntatie van jongeren eigen trekken heeft. Ellen Hijmans stelt dat die levensoriëntatie vooral pragmatisch en fragmentarisch is, niet bezinnend van aard, dat het onbevraagde en vanzelfsprekende trekken heeft, en vooral naar voren in het handelen en in het realiseren van concrete behoeftes in het hier en nu. Waarbij ‘van het leven genieten’ een belangrijke waarde en zelfs een dure plicht is zoals Monique van Dijk constateert. Kaski onderzoek stelt dat veel jongeren en jongvolwassenen (ruim 40% van de 18-40 jarigen) zich het liefste zo weinig mogelijk met problemen bezig houden, wanneer ze die tegenkomen. Problemen bieden ze vooral het hoofd door zoveel mogelijk door te gaan met werk of met studie. Dat ze niet terug kunnen vallen op een religieus referentiekader, dat ze religieus analfabeet zijn zal daar niet vreemd aan zijn. Mijn punt is, dat het confessionele onderwijs deze jongeren dus een geweldige dienst bewijst, omdat dot onderwijs het vak godsdienst of levensbeschouwing aanbiedt. In de seculiere en multireligieuze context vormt dit vak binnen de confessionele school voor een groeiende groep leerlingen de eerste en misschien wel de enige plek waar ze op een gestructureerde manier in aanraking worden gebracht met de wereld van godsdienst en levensbeschouwing. Juist vanwege de seculiere context is dat vak kostbaar. Het moet leerlingen informeren maar ook uitdagen tot communicatie en tot bezinning over de betekenis van het godsdienstig zijn: in het leven van  anderen, in het maatschappelijk leven maar ook in het eigen leven. Iemand wees me laatst op een foto over zijn werk als gids voor bergbeklimmers in de Pyreneeën en ik stel me voor dat dit overeenkomt met de vakdocent godsdienst of levensbeschouwing: informerend zijn, begeleidend zijn motiverend zijn en inspirerend zijn. Zo’n vak is te kostbaar om op te gaan in filosofie, burgerschapskunde of maatschappijleer. En het is kostbaar genoeg om goede scholing, bijscholing en nascholing te garanderen voor de docenten die dat vak geven. Want juist in de seculiere en multireligieuze context is dit vak belangrijk en onderscheidend.

Het derde voorbeeld gaat over de religieuze diversiteit binnen de katholieke school. Dat wordt nogal eens als een probleem gezien voor de katholieke identiteit. Ik zie dat anders. In het familieleven herken ik namelijk dat wat Joep de Hart het supplementeringseffect noemt: de openheid van mensen voor de eigen godsdienst strekt zich uit en leidt tot openheid voor de inhoud en de beleving van andere godsdiensten, terwijl geslotenheid voor de eigen godsdienst vaak ook gepaard gaat met geslotenheid voor andere religies en belevingen. Dat komt met het inzicht van Pollefeyt overeen als hij zegt dat maximale openheid voor de katholieke traditie binnen het katholieke onderwijs heel goed samen kan gaan met maximale openheid voor andere religies. Hij bepleit dat zelfs, want deze openheid leidt tot een recontextualisering van de katholieke traditie: tot een nieuwe dialogische bezinning op de betekenis van de katholieke godsdienst voor de onderwijswereld.

Ook wat mij betreft kan religieuze diversiteit binnen de school een kans zijn, omdat de katholieke school daardoor een oefenplaats kan worden voor interreligieuze ontmoeting. Dat is belangrijk binnen ons land waar religieuze intolerantie en verharding een rol gaan spelen. Ik bepleit dan ook binnen het katholieke onderwijs een voorkeurspositie van het katholieke geloof, juist omdat de specifieke aandacht daarvoor mensen erbij helpt om ook open te kunnen staan voor de godsdienstigheid van anderen. Dat je met een taal hebt kennis gemaakt, helpt je ook om andere talen te leren verstaan. De voorkeurspositie van het katholieke geloof impliceert wat mij betreft openheid op twee manieren: de eerste betreft de openheid voor de ervaringen en de beelden bij het katholieke geloof die er feitelijk leven binnen de klas en de school: positief en negatief. Katholieken zijn in de regel nogal kritisch ten opzichte van de katholieke kerk en deze relatieve geslotenheid ten aanzien van de eigen godsdienst belemmert op een bepaalde manier niet zelden een open houding ten opzichte van andere godsdiensten. Onderzoek onder leerlingen van katholieke scholen doet vermoeden dat de openheid die beleden wordt ten aanzien van andere godsdiensten, niet per definitie blijk geeft van interesse in die godsdiensten maar vooral een houding is waarmee (aanspraken vanuit) het katholieke geloof wordt gerelativeerd waarmee helder wordt dat de katholieke godsdienst nog steeds het referentiepunt is. De voorkeurspositie van het katholieke geloof vraagt om de bereidheid om waar dat nodig is, het gestolde verleden te ontstollen zodat ruimte ontstaat voor leren: van nieuwe houdingen, visies en ervaringen. De tweede openheid, die voor andere religies heeft daar baat bij. Want de voorkeurspositie van het katholieke geloof impliceert dat de katholieke school tegelijkertijd de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging aanvaardt en bevordert.

Dat dit niet strijdig is gaat terug op het vertrouwen dat de katholieke traditie stelt in de redelijkheid van het geloof en in het belang dat mensen in vrijheid de waarheid kunnen zoeken. Dus ook rondom de religieuze diversiteit kan het katholieke onderwijs een dienst zijn aan de vorming van leerlingen en aan de samenleving: door de ervaringen, de beelden en de vooroordelen die leven rond het katholieke geloof serieus te nemen en ook in die zin de voorkeurspositie van het katholieke geloof serieus te nemen, draagt de katholieke school bij aan de openheid voor andere religies en kan het een oefenplek bieden voor de interreligieuze ontmoeting en dialoog die binnen de samenleving niet zelden ontbeerd wordt. 

Tot slot kom ik nog terug op de kanttekeningen bij de katholiciteit van het katholieke onderwijs waarmee ik mijn betoog begon.

1. Het open aannamebeleid. In mijn betoog heb ik verhelderd dat een dergelijke openheid een brede groep mensen in de gelegenheid stelt om kennis te maken met elementen van het katholieke geloof: het vierende, het ethische en het deel uitmaken van een bezielde gemeenschap. Ik doelde daarbij op ouders die op hun eigen manier open staan voor de katholieke traditie. In mijn bundel die u straks wordt overhandigd zult u lezen over onderzoek dat constateert dat er echter ook ouders zijn die terwijl ze voor katholiek onderwijs kiezen, weigeren om open te staan voor de katholiciteit, die vinden dat de katholieke school alle godsdienstige uitingen binnen de school moet weren en die in feite de afschaffing van het confessionele onderwijs bepleiten. Het lijkt mij, dat het katholiek onderwijs beantwoordt aan het grondwettelijke recht van ouders op onderwijs voor hun kinderen dat aansluit op hun godsdienst of levensbeschouwing. Op grond daarvan mag katholiek onderwijs van ouders die de katholieke grondslag niet kunnen onderschrijven, wel verwachten dat deze ouders bereid zijn om die katholieke grondslag te respecteren. Want bij al te veel nivellering van de katholiciteit komt het recht van ouders om hun kinderen katholiek onderwijs te alten volgen in het gedrang en daarmee de bestaansgrond van het katholiek onderwijs.

2. Het godsdienstonderwijs. In mijn betoog heb ik verhelderd dat de voorkeurspositie van het katholieke geloof vraagt om openheid voor het katholieke geloof, terwijl die openheid tevens ten goede komt aan interesse in andere religies en levensbeschouwingen en in de school als vindplaats van interreligieuze dialoog. Met betrekking tot de katholieke geloof neem ik in de regel, zoals gezegd nogal wat kerkkritiek waar. Het lijkt me van belang om daar twee tendensen in te onderscheiden. De eerste tendens betreft de kritiek op de kerk die blijk geeft van een grote mentale distantie tot de kerk, doorgaans voortkomend uit pijnlijke ervaringen die in het verleden zijn opgedaan: ofwel persoonlijk ofwel gestold en ‘overgedragen’. Het is zinvol om daarbij in te zien dat het niet zelden gaat om ervaringen met een preconciliaire kerk die niet meer bestaat. Deze beelden leven langer door naarmate mensen langer uit de kerk weg zijn getrokken waardoor ze geen kennis hebben gemaakt met of kennis hebben genomen van vormen van kerk zijn die postconciliair zijn. De tweede tendens betreft de kerkkritiek die  van blijvende en uitgehouden kerkelijke betrokkenheid blijk geeft en waarbij mensen nog steeds uitzien naar een kerk die beantwoordt aan wat volgens hen haar bestemming is. De waarneembare opgetogen reacties het aantreden en het optreden van de nieuwe paus zijn daarin voorbeeldmatig.

3. Daarmee kom ik op mijn derde punt: het contact met de katholieke kerk. De afstand tussen de katholieke school en de katholieke kerk vormt de achtergrond van het rapport ‘school en kerk verbinden’ die toekomst zoekt in de verbetering van die relatie langs de weg van inspirerende contacten. Daarmee wordt de uitdaging verwoord om in onderlinge dialoof te zoeken naar nieuwe vormen van betrokkenheid tussen school en kerk. In dat verband wil ik u graag wijzen op een bundel die vanuit de Besturenraad is gepubliceerd en waarin verhalen zijn verzameld over kleinschalige initiatieven op bijvoorbeeld liturgisch en diaconaal vlak waarin concrete scholen en concrete geloofsgemeenschappen elkaar ontmoeten en inspireren. Wellicht beantwoordt een dergelijk initiatief ook aan een behoefte binnen het katholieke onderwijsland.

Ik dank de VKO heel hartelijk voor de ruimte die me is geboden voor de bundel en voor deze bijeenkomst en ik dank u allen voor uw aandachtig gehoor.

     
     
     
     
     
Susteren-Echt