Het begint allemaal op dat ene moment

door Dr. G.J.M. van den Aardweg
 

Wanneer begint een zwangerschap? Dat lijkt een onnozele vraag. Natuurlijk bij de bevruchting, dat is voor iedereen duidelijk en zo heeft het ook altijd in de medische handboeken gestaan. Tot 1965. Toen besloot de Amerikaanse gynaecologenvereniging de omschrijving van “bevruchting” (conceptie) en “zwangerschap” te veranderen. Waarom? Omdat men besefte dat de nieuwere methoden van anticonceptie - onder andere de hormonale pil - niet alleen zuiver anticonceptief werkten, maar bovendien in een pril stadium van de zwangerschap een abortus konden veroorzaken. Een vroegabortus. Het waren dus niet alleen bevruchtingsverhinderende methoden, maar voor een deel ook abortieve methoden. Dat zou problemen kunnen geven, zowel wat betreft de wettelijke goedkeuring als wat betreft de houding van het publiek, als dit zou gaan beseffen wat er aan de hand was. Men besloot tot een verkooptruc, want men wilde koste wat het kost de opkomst van de hormonale anticonceptie niet in gevaar brengen. Besloten werd dat het voortaan pas een “conceptie” zou heten als de bevruchte eicel zich had ingenesteld in de wand van de baarmoeder (ongeveer een week na de bevruchting). Dan zou men het pas een “zwangerschap” gaan noemen. Daarmee was als bij toverslag het begin van de zwangerschap een week opgeschoven en kon men middelen die in werkelijkheid óók vroegabortussen veroorzaken rustig “voorbehoedmiddelen” blijven noemen. Bijvoorbeeld de “morning after pil”, het spiraaltje en de gewone “pil”. En omdat het gynaecologen waren die deze taalvervalsing in de wereld brachten, hebben velen gedacht dat er een nieuw wetenschappelijk inzicht achter zat. Nee hoor!

Het menselijk leven begint op één, precies vast te stellen, moment: het moment van de bevruchting. Vóór de bevruchting zitten er in de kern van de vrouwelijke eicel 23 chromosomen, de dragers van haar erfelijke eigenschappen. Het zaad van de man (sperma) bevat bij ieder zaadlozing een paar honderd miljoen zaadcellen en elk daarvan heeft eveneens 23 chromosomen en die bevatten zíjn erfelijke eigenschappen. De eicel wordt door één enkele van al die zaadcellen bevrucht: dan verenigen in de kern van die cel haar 23 chromosomen zich met de 23 van hém. Er zijn dan 46 nieuwe chromosomen ontstaan. Vanaf dat moment is het nieuwe mensje “gestart”, al is er met het blote oog niets van te zien (de eicel is 1/10e millimeter in doorsnee). Die eerste bevruchte eicel bevat alle gegevens van het nieuwe wezentje; een duizelingwekkende hoeveelheid gegevens, plus de mysterieuze levenskracht die maakt dat al die gegevens zich meteen ontwikkelen. Die eerste cel is als een mini-cassette waarop al het hele muziekstuk van de nieuwe mens staat, met al zijn erfelijke eigenschappen en vermogens van lichaam en geest, terwijl dit muziekstuk meteen ook is beginnen te spelen! Die eerste bevruchte eicel geen mens te noemen is even ongegrond als wanneer we zouden beweren dat een embryo van enkele maanden nog geen mens is, of een baby vlak voor de geboorte, of een kindje dat nog geen bewustzijn van zichzelf heeft.

We moeten hier nog even bij stilstaan, want over dit onderwerp worden ook dwaasheden gezegd door mensen die enige kennis van zaken horen te hebben. Een pijnlijk voorbeeld: in een Belgische wet van 2002 wordt de beginfase van het menselijk embryo omschreven als “een cel of een samenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot een mens”. Het is dus geen mens. Op welk punt in de ontwikkeling dan wél? Dat kunnen ze natuurlijk niet aangeven, want als men de eerste cellen geen mens wil noemen komt men noodzakelijk in de volstrekte willekeur terecht. De volgende slimmerik kan met evenveel recht beweren dat bijvoorbeeld een nog net niet geboren baby “een geheel van cellen is met het vermogen uit te groeien tot een mens”, en ga zo maar door. Maar als men moet toegeven dat men niet weet wanneer het menszijn begint, waarom weet men dan wél zo stellig dat een embryo in het eerste stadium geen mens kan zijn? Of denkt men dat het embryo pas een mens is als het de uiterlijke gestalte van een mens heeft? Dat zou biologisch nergens op slaan. Overigens: “een groep cellen”, dat klinkt ongeveer als “een pluk haren”, of “een hoeveelheid moleculen”. Het is een respectloze uitdrukking waaruit niet bepaald blijkt dat men iets heeft “gezien” van het grandioze mysterie van het begin van het menselijk leven dat in deze eerste wondercellen schuilt. Ze zijn uniek in het heelal (voor zover wij dat althans kennen)! Alleen het denkend en bewonderend innerlijk oog van het verstand kan dit waarnemen.

Vanaf het eerste ogenblik ontwikkelt het mensje zich met ongelofelijke snelheid en energie, volgens een boven alle voorstellingsvermogen uitstijgend, ingebouwd programma, dat zo superintelligent in elkaar zit, zo ingewikkeld en uiterst precies, dat we er geen woorden voor hebben.

Beweringen als zou het niet zeker zijn wanneer het menselijk leven begint, of dat het begin van het leven een “theologisch (godsdienstig) probleem” is dat wetenschappelijk niet kan worden beantwoord, zijn onzinnig. Het begin van het leven van iedere afzonderlijke menselijke persoon is wetenschappelijk nauwkeurig aan te geven. Dat heeft niets met “theologie” of godsdienst te maken.

Genomen uit: Dr. G.J.M. van den Aardweg, Voorgelicht: maar deugt de informatie wel?
(Met toestemming van Pro Vita overgenomen en gepubliceerd)

     
     
     
     
     
Susteren-Echt