Een nieuwe lente van eucharistische aanbidding

In november 2010 heeft paus Benedictus XVI tijdens een algemene audiëntie de heilige Juliana van Cornillon, beter bekend als Juliana van Luik, als voorbeeld van eucharistische spiritualiteit voorgesteld. Hij spreekt hierbij van een nieuwe lente! Een profetisch woord: dat de eucharistische aanbidding in ons bisdom ook moge toenemen en moge bijdragen tot vitalisering van de gelovigen.


Geliefde broeders en zusters,

Ook vanmorgen zou ik u een vrouwelijke figuur willen voorhouden, die weinig bekend is, maar aan wie de Kerk veel dank verschuldigd is, niet alleen vanwege haar heiligheid van leven, maar ook omdat zij met haar grote ijver heeft bijgedragen aan het instellen van een van de belangrijkste liturgische hoogfeesten van het jaar, het hoogfeest van Sacramentsdag. Het betreft de heilige Juliana van Corbillon, ook bekend als de heilige Juliana van Luik. Wij hebben enkele gegevens over haar leven vooral door middel van een biografie, die waarschijnlijk is geschreven door een contemporaine geestelijke en waarin verschillende getuigenissen worden bijeengebracht van personen die de heilige direct hebben gekend.

Juliana werd tussen 1191 en 1192 geboren in de buurt van Luik. Het is belangrijk op deze plaats de nadruk te leggen, omdat in die tijd het bisdom Luik om zo te zeggen een waar “eucharistisch cenakel” was. Voor Juliana hadden befaamde theologen er de hoge waarde van het sacrament van de eucharistie belicht en, ook in Luik, waren er groepen vrouwen die zich edelmoedig wijdden aan de verering van de eucharistie en aan het veelvuldig communiceren. Geleid door voorbeeldige priesters, leefden zij samen en wijdden zij zich aan het gebed en werken van naastenliefde.

Met vijf jaar wees geworden, werd Juliana met haar zus Agnes toevertrouwd aan de zorgen van de augustinessen van het klooster-leprozerie van Mont-Cornillon. Zij werd vooral opgevoed door een zuster, Sapientia geheten, die haar geestelijke rijping volgde, totdat Juliana zelf het kloosterhabijt ontving en ook zij augustines werd. Zij maakte zich een aanzienlijke cultuur eigen, zodat zij de werken van de kerkvaders in het Latijn las, in het bijzonder de heilige Augustinus en de heilige Bernardus. Juliana liet zien dat zij, behalve over een levendige intelligentie beschikte, ook een bijzondere aanleg had voor de contemplatie; zij had een diepe zin voor de tegenwoordigheid van Christus, die zij ervoer door op een bijzonder intense wijze het sacrament van de eucharistie te beleven en in haar mediteren dikwijls stil te staan bij de woorden van Jezus: “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mat. 28,20).

Met zestien jaar had zij een eerste visioen, dat zich vervolgens meerdere malen herhaalde in haar eucharistische aanbidding. Het visioen liet de maan in zijn volle glans zien, met een donkere streep die diametraal eroverheen liep. De Heer deed haar de betekenis begrijpen van wat haar was verschenen. De maan symboliseerde het leven van de Kerk op aarde, de donkere streep stond daarentegen voor het ontbreken van een liturgisch feest, voor de instelling waarvan Juliana werd gevraagd zich op doeltreffende wijze in te zetten: een feest, namelijk, waarbij de gelovigen de eucharistie zouden kunnen aanbidden om het geloof te vermeerderen, te vorderen in de beoefening van de deugden en eerherstel te geven voor de beledigingen van het Allerheiligste Sacrament.

Gedurende ongeveer 20 jaar hield Juliana, die intussen de priorin van het klooster was geworden, deze openbaring, die haar hart van vreugde had vervuld, geheim. Vervolgens nam zij twee andere vurige aanbidsters van de eucharistie in de vertrouwen, de zalige Eva, die een kluizenaarsleven leidde, en Isabella, die bij haar in het klooster van Cornillon was komen wonen. De drie vrouwen sloten een soort “geestelijk verbond” met als doel het Allerheiligste Sacrament te verheerlijken. Zij wilden ook een zeer geacht priester, Johannes van Lausanne, kanunnik aan de kerk van de heilige Martinus in Luik, erbij betrekken en zij vroegen hem advies te vragen aan theologen en geestelijken over hetgeen hun ter harte ging.

Wat Juliana van Cornillon overkwam, herhaalt zich vaak in het leven van de heiligen: om een bevestiging te hebben dat een ingeving van God komt, is het altijd noodzakelijk zich te storten in het gebed, geduldig weten te wachten, de vriendschap en het overleg met andere goede zielen te zoeken en alles te onderwerpen aan het oordeel van de herders van de Kerk. Het was juist de bisschop van Luik, Robert de Thourotte, die na aanvankelijke aarzeling inging op het voorstel van Juliana en haar gezellinnen en voor de eerste keer het hoogfeest van Sacramentsdag instelde in zijn bisdom. Later volgden andere bisschoppen hem door hetzelfde feest in te stellen in de gebieden die aan hun pastorale zorgen waren toevertrouwd.

De Heer vraagt echter de heiligen vaak om hun beproevingen te overwinnen, opdat hun geloof wordt vermeerderd. Ook Juliana overkwam het dat zij het harde verzet van enkele leden van de geestelijkheid en van de overste zelf onder wie haar klooster ressorteerde, moest ondergaan. Toen verliet Juliana uit eigen wil het klooster van Mont-Cornillon samen met enkele gezellinnen en gedurende tien jaar, van 1248 tot 1258, was zij te gast bij verschillende kloosters van cisterciënserzusters. Zij stichtte allen met haar nederigheid, zij had nooit ook maar één woord van kritiek of verwijten jegens haar tegenstanders, maar zij bleef met ijver de verering van de eucharistie verbreiden. Zij stierf in 1258 in Fosses–La-Ville in België. In de cel waar zij lag, werd het Allerheiligste Sacrament uitgesteld en volgens de woorden van de biograaf stierf Juliana, terwijl zij in een laatste opwelling van liefde de eucharistische Jezus aanschouwde die zij altijd had bemind, geëerd en aanbeden.

Voor de goede zaak van het feest van Sacramentsdag werd ook Jacobus Pantaléon van Troyes gewonnen, die de heilige gedurende zijn ambt van aartsdiaken in Luik had leren kennen. Hij was het nu die, toen hij in 1264 paus was geworden met de naam Urbanus IV, het hoogfeest van Sacramentsdag instelde als verplicht feest voor de universele Kerk, op de donderdag na Pinksteren. In de instellingsbul, Transiturus de hoc mundo (11 augustus 1264) geheten, herinnert paus Urbanus IV op een discrete wijze ook aan de mystieke ervaringen van Juliana door de authenticiteit ervan te bevestigen. Hij schrijft: “Hoewel de eucharistie ieder dag plechtig wordt gevierd, beschouwen wij het als juist dat deze minstens één maal per jaar op een eervollere en plechtigere wijze wordt herdacht. De andere dingen die wij immers herdenken, begrijpen wij met de geest en met het verstand, maar hiermee verkrijgen wij niet hun werkelijke tegenwoordigheid. In deze sacramentele herdenking van de Christus, is integendeel, ook al is het onder een andere gedaante, Jezus Christus tegenwoordig bij ons in zijn eigen substantie. Terwijl Hij immers op het punt stond om naar de hemel op te gaan, zei Hij: “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld (Mat. 28,20)”.

De paus zelf wilde het voorbeeld geven door het hoogfeest van Sacramentsdag te vieren in Orvieto, de stad waar hij toen verbleef. Juist in zijn opdracht bewaarde men in de dom van de stad - en bewaart men nog - het beroemde corporale met de sporen van het eucharistisch wonder dat het jaar tevoren, in 1263, in Bolsena had plaatsgevonden. Terwijl een priester brood en wijn consacreerde, was hij door sterke twijfels bevangen over de werkelijke tegenwoordigheid van het Lichaam en Bloed van Christus in het sacrament van de eucharistie. Op wonderbaarlijke wijze begonnen enkele druppels bloed uit de geconsacreerde hostie te stromen, aldus bevestigend hetgeen ons geloof belijdt. Urbanus IV vroeg aan een van de grootste theologen uit de geschiedenis, de heilige Thomas van Aquino - die in die tijd de paus begeleidde en zich in Orvieto bevond - de teksten van het liturgische officie voor dit grote feest samen te stellen. Zij zijn ook nu nog in gebruik in de Kerk en meesterwerken, waarin theologie en poëzie samengaan. Het zijn teksten die de snaren van het hart doen trillen om lof en dank voor het Allerheiligste Sacrament tot uitdrukking te brengen, terwijl het verstand, wanneer het met verwondering binnendringt in het mysterie in de eucharistie, de levende en ware tegenwoordigheid erkent van Jezus, van zijn offer van liefde dat ons met de Vader verzoent en ons het heil schenkt.

Ook als na de dood van Urbanus IV de viering van Sacramentsdag werd beperkt tot enkele streken van Frankrijk, Duitsland, Hongarije en Noord-Italië, was er nog een paus, Johannes XXII, die in 1317 het voor heel de Kerk weer opnieuw instelde. Van toen af kende het feest een schitterende ontwikkeling en het wordt nog steeds diep gevoeld door het christenvolk.

Ik zou met vreugde willen zeggen dat er op vandaag in de Kerk een “eucharistische lente” is: hoeveel personen knielen zwijgend stil voor het tabernakel om er zich te onderhouden in een gesprek van liefde met Jezus! Het is een troost te weten dat niet weinig groepen jongeren opnieuw de schoonheid hebben ontdekt van de aanbidding van het Allerheiligste Sacrament. Ik denk bijvoorbeeld aan onze eucharistische aanbidding in Hyde Park in Londen. Ik bid dat deze eucharistische “lente” zich steeds meer verspreidt in alle parochies, in het bijzonder in België, het vaderland van de heilige Juliana. De eerbiedwaardige Johannes Paulus II constateerde in de encycliek Ecclesia de Eucharistia dat “...op vele plaatsen de Aanbidding van het Allerheiligste Sacrament een belangrijke plaats in het dagelijkse leven inneemt en zo tot een onuitputtelijke bron van heiligheid wordt. De aandachtige deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer, die ieder jaar al diegenen met vreugde vervult die daaraan deelnemen. Men kan ook nog andere positieve tekenen van geloof en liefde voor de Eucharistie noemen” (nr. 10).

Laten ook wij bij de herinnering aan de heilige Juliana het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie hernieuwen. Zoals ons het Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk leert: “Jezus Christus is in de eucharistie op een unieke en onvergelijkelijke wijze tegenwoordig. Hij is immers tegenwoordig op een waarachtige, werkelijke en substantiële wijze: met zijn Lichaam en Bloed, met zijn ziel en zijn godheid. In haar is dus op sacramentele wijze, dat wil zeggen onder de eucharistische gedaanten van brood en wijn, de gehele Christus tegenwoordig: God en mens”. (nr. 282).

Beste vrienden, de trouw aan de ontmoeting met de eucharistische Christus in de zondagsmis is essentieel voor de weg van het geloof, maar proberen wij ook herhaaldelijk de Heer te bezoeken die aanwezig is in het tabernakel! Door in aanbidding op te zien naar de geconsacreerde hostie, ontmoeten wij de gave van de liefde van God, ontmoeten wij het lijden en het kruis van Jezus, evenals zijn verrijzenis. Juist doordat wij daarnaar in aanbidding opzien, trekt de Heer ons naar zich toe, binnen zijn mysterie om ons te veranderen, zoals Hij brood en wijn verandert. De heiligen hebben altijd kracht, troost en vreugde gevonden in de eucharistische ontmoeting. Met de woorden van de eucharistische hymne Adoro te devote herhalen wij voor de Heer, tegenwoordig in het Allerheiligste Sacrament: “Laat mij steeds meer in U geloven, opdat ik op U mag hopen, U mag liefhebben!”.

Benedictus XVI

Naar lijst van plekken in Limburg waar met enige regelmaat eucharistische aanbidding plaatsvindt >>

     
     
     
     
     
Susteren-Echt