De boze wint veel veldslagen maar heeft de oorlog verloren

Interview met de prefect van de Congregatie voor de Clerus, Mauro kardinaal Piacenza: vernieuwing van het priesterschap; samenwerking tussen lekengelovigen en clerus; crisis van de roepingen; het wezen van de sacrale kunst en de liturgie. (door Armin Schwibach, Kath.net, Rome, 1 februari 2011)

In dit exclusieve interview, dat welwillend is toegestaan aan Kath.net, houdt de kardinaal zich bezig met de priester als “teken van tegenspraak” en benadrukt de bijzondere opdracht van de sacrale kunst als weg van gebed naar God.


Kath.net: Met uw boek “Het teken - Christus als bron van de identiteit van de priester”, gepubliceerd in 2010, heeft u herinnerd aan de identiteit van het priesterschap en verklaard dan ieder discours over een “nieuwe evangelisatie”, het belangrijkste doeleinde van de Kerk, nutteloos blijft, als het zich niet baseert op een geestelijke vernieuwing van de priester.
Concreet, welke vorm zou de vernieuwing van het priesterschap kunnen aannemen? Wat betekent het dat de priester “teken van tegenspraak” is in de huidige maatschappij, zoals u eens zei? Waar moet de Kerk van uitgaan en hoe zouden in het bijzonder de verantwoordelijken van de seminaries hierin een bijdrage moeten leveren?

Kardinaal Piacenza: Degene die de Kerk en daarin het priesterschap voortdurend vernieuwt, is de Heilige Geest! Buiten een duidelijk pneumatische en daarom bovennatuurlijke visie is het onmogelijk ook alleen maar te denken aan vernieuwing. Ik ben van mening dat dit juist een van de belangrijkste wegen is die men moet gaan: die van een duidelijk herstellen van de verticale, spirituele dimensie van het ambt. In de afgelopen decennia hebben teveel “reductionismen”, die door de zogenaamde theologie van de ontmythologisering werden bezield, als resultaat gehad dat het priesterschap eenvoudigweg werd veranderd in een “superambt” van kerkelijke bezieling en coördinatie. De priester is ook degene die het pastorale leven van een gemeenschap bezielt, maar een dergelijk ambt uitoefent krachtens een bovennatuurlijke roeping en gelijkvormigheid aan Christus, bepaald door het wijdingssacrament. Vóór ieder “ministerieel ambt” vertegenwoordigt hij Jezus, de Goede Herder, in het hart van de Kerk en concreet in de gemeenschap waarnaar hij is gezonden. Het gevolg hiervan is dat de vernieuwing noodzakelijkerwijs moet gaan via het primaatschap van het gebed, het innige en verlengde contact met de verrezen Christus, spiritueel aanwezig in de Heilige Schrift, werkelijk aanwezig in de eucharistie, en met wie de priester voor altijd in relatie staat bij het concreet uitoefenen van iedere ministeriële handeling. Primaatschap van het gebed betekent ook primaatschap van het geloof: het pure en oprechte geloof van de heiligen, het geloof dat in staat is om juist door zijn eenvoud iedere menselijke berekening of redenering ongedaan te maken. Een priester wordt zo in een culturele context die is gebaseerd op efficiency en activisme, noodzakelijkerwijs een teken van tegenspraak; zoals de Heer Jezus een “teken van tegenspraak” is geweest en vandaag nog is, zo is naar zijn beeld iedere priester geroepen dit te zijn, juist krachtens zijn toebehoren aan Christus en de Kerk, en de “voor altijd durende nieuwheid” die de apostolische wijze van leven is voor de wereld.

In de huidige geseculariseerde context zijn heilige, trouwe priesters, die aan hun ambt zijn toegewijd, omdat zij aan God zijn toegewijd en daarom in staat zijn de zielen te brengen tot een authentieke ontmoeting met de Heer, een teken van tegenspraak. Alleen wie geheel van God is, kan geheel van de mensen zijn.
Voor dit alles moeten de nieuwe generaties priesters voornamelijk worden gevormd door met zorg te vermijden dat men vervalt in de verleiding van wie het priesterschap zou willen “normaliseren” en denkt het op die manier meer aanvaardbaar te maken voor de jongeren en de mensen van onze tijd. Dat zou integendeel leiden tot een “woestijnvorming” van roepingen. De toekomst van het priesterschap, die op bovennatuurlijk vlak is gegarandeerd door de trouw van God aan zijn Kerk, is ook, wat ons betreft, gelegen in een met redenen omkleed propageren van de werkelijke natuur ervan, die - de Schriften getuigen hiervan en de grote traditie van de Kerk en het leergezag bevestigt dit - van volmaakt goddelijke oorsprong is.

Kath.net: De Heilige Vader Benedictus XVI zegt in zijn laatste boek-interview met Peter Seewald, “Licht van de wereld”: “Het is denkbaar dat de duivel het Jaar van de priester niet kon verdragen en ons toen het vuil in het gezicht heeft gegooid. Hij heeft de wereld willen laten zien wat er aan vuiligheid is onder de priesters”. Bent u van mening dat het toeval is dat juist gedurende het Jaar van de priester in niet weinig landen van de wereld het schandaal van seksueel misbruik is losgebarsten? En heeft de duivel uiteindelijk werkelijk verloren?

Kardinaal Piacenza: U weet goed dat het toeval niet bestaat! Er bestaan integendeel toevalligheden en vaker menselijke strategieën die zich blootstellen aan verschillende vormen van instrumentalisering van het kwaad.

Het is noodzakelijk vóór alles eraan te herinneren dat de duivel gedurende het Jaar van de priester niet heeft gewonnen, toen hij, zoals door de Heilige Vader wordt gesteld, “het vuil in het gezicht heeft gegooid”, maar veeleer, toen enkele dienaren van God, die op grond van hun roeping geroepen waren om het evangelie te verkondigen en de sacramenten te bedienen, met misbruik van hun taak jonge, onschuldige levens dodelijk hebben verwond. In deze absolute ontaarding is de ware overwinning van het kwaad gelegen en het feit dat dergelijke verschrikkelijke en schandelijke gedragingen gedurende het Jaar van de priester aan de oppervlakte zijn gekomen, heeft de waarheid van het priesterschap niet verminderd, maar door de gepaste boetedoening en het gepaste herstel voor het geen is gebeurd, mogelijk te maken een diepere bewustwording begunstigd hoezeer de buitengewone schat, door Christus aan zijn Kerk gegeven, bewaard wordt in aarden potten.

Een dergelijke toestand die dramatisch verontrustend is, zou zelfs kunnen leiden tot wanhoop, als wij niet zeker ervan waren dat de duivel, die helaas vele veldslagen wint, zijn eigen oorlog definitief al heeft verloren, aangezien hij is verslagen door de verlossende dood van onze Heer Jezus Christus en door zijn glorievolle verrijzenis.

Kath.net: Vaak worden veel priesters, in het bijzonder in Duitstalige landen, blootgesteld aan druk van de kant van leken en pastorale raden. Men heeft als het ware de indruk dat bepaalde leken zich binnen de ruimte van het altaar een weg willen banen om ambtelijke functies op zich te nemen. In niet weinig Duitstalige bisdommen staan priesters die trouw willen zijn aan de Kerk, vaak alleen. Soms geven zelfs de diocesane bisschoppen hun priesters niet de noodzakelijke steun. Hoe wordt in Rome dit probleem gezien? Hoe zouden de priesters in een dergelijke situatie zich kunnen en moeten verdedigen?

Kardinaal Piacenza: Vóór alles zou ik absoluut duidelijk en met gegronde overtuiging willen stellen dat samenwerking tussen priesters en leken even noodzakelijk is als sacramenteel gefundeerd. Het is gepast deze te beleven binnen enkele onmisbare parameters hetzij vanuit theologisch, hetzij van pastoraal standpunt bezien. Het is gepast eraan te herinneren dat alle gedoopten geroepen zijn tot de dienst van getuigenis, en niet eenvoudigweg zij die een kerkelijk ambt hebben ontvangen. De lekengelovigen dienen te worden opgevoed tot dit permanent begrip van het apostolaat dat vooral moet worden beleefd in de wereld, in de concrete omstandigheden van hun bestaan, gezin, gevoelens, werk, beroep, opvoeding en in het openbaar. Werkelijk “geëngageerde” leken zijn zij die er zich voor inzetten om van Christus te getuigen in de wereld, niet zij die een eventueel gebrek aan clerus aanvullen door aanspraak te maken op stukken zichtbaarheid binnen de gemeenschappen.

Wanneer men uitgaat van deze duidelijkheid betreffende de universele roeping van de gedoopten, sluit niets uit dat zij doeltreffend kunnen samenwerken met het ambt van de priesters, waarbij zij wel altijd voor ogen dienen te houden dat er tussen het priesterschap van het doopsel en het ambtelijk priesterschap een wezenlijk en niet alleen gradueel verschil bestaat, zoals de Catechismus van de Katholieke Kerk leert, daarmee het Tweede Vaticaans Concilie weer oppakkend (vgl. Cathechismus van de Katholieke Kerk, nr. 1547).

Ook in dit geval gaat het erom het geloof in de Kerk opnieuw te ontdekken, die niet een menselijke organisatie is en evenmin kan worden geleid volgens de criteria “van een bedrijf”, die aan menselijke wetten gehoorzamen, zoals veronderstelde of werkelijke competentie of efficiency en de noodzakelijke deling van de macht, en die zeer veraf staan van het authentieke kerkelijke dienstwerk.

Ik ben van mening dat juist dit “bedrijfsmatig reduceren” bij het denken over de Kerk één van de oorzaken is hetzij van de zogenaamde crisis in het aantal antwoorden op een roeping, hetzij van de polemieken die in opeenvolgende, soms ook georkestreerde golven losbarsten tegen het priesterlijk celibaat. Dit alles maakt deel uit van die kortzichtige “strategie van de normalisering” die in laatste instantie erop is gericht God uit de wereld te verdrijven door er hen uit te verbannen die objectief de tekenen zijn die op een doeltreffendere wijze naar Hem verwijzen; allereerst het leven van hen die in trouw en vreugde ervoor kiezen in de maagdelijkheid van het hart en in het celibaat te leven voor het Rijk der hemelen en zo getuigen dat God bestaat, aanwezig is en dat het mogelijk is voor Hem te leven.

Kath.Net: Hoe verklaart men de “roepingencrisis” in de huidige westerse samenlevingen?

Kardinaal Piacenza: De zogenaamde roepingencrisis, die men in werkelijkheid langzamerhand te boven is aan het komen, houdt in wezen verband met de geloofscrisis in het westen. Daar waar deze is, moet men toegeven dat in werkelijkheid de roepingencrisis een geloofscrisis is. God blijft roepen, maar om antwoord te geven is het noodzakelijk te horen en om te horen is een klimaat nodig dat geschikt is, en niet het absolute lawaai. In dezelfde kringen is de heiliging van het feest in crisis, is de biecht in crisis, is het huwelijk in crisis etc. De secularisatie en het daaruit volgende verlies van het gevoel voor het sacrale, het geloof en het praktiseren ervan hebben een belangrijke vermindering van het aantal kandidaten voor het priesterschap bepaald en bepalen dit. Bij deze specifiek theologische en kerkelijke redenen komen enkele van sociologische aard: allereerst een daling van het geboortecijfer, uniek in de wereld, met een daaruit volgende vermindering van het aantal jongeren en dus ook van jonge roepingen.

In dit panorama vertegenwoordigen een prijzenswaardige uitzondering, vol van enthousiasme en hoop, de bewegingen en de nieuwe gemeenschappen, waarin het geloof op een pure en directe wijze wordt beleefd en vertaald in concreet leven, en dat stelt het hart van de jongeren open voor de mogelijkheid zich geheel aan God te geven in het ambtelijk priesterschap. Een dergelijke vitaliteit in het verschil van uitdrukking en methoden moet van heel de Kerk zijn, van iedere parochie en van ieder bisdom, omdat alleen een authentiek, voor het leven belangrijk geloof de omgeving is waarin de zovele roepstemmen die God, ook vandaag, richt tot de jongeren, kunnen worden gehoord. Het eerste en onmisbare geneesmiddel tegen het daling van de roepingen heeft Jezus zelf gesuggereerd: “Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten” (Mat. 9,38). Dit is het realisme van de roepingenpastoraal. Het gebed voor roepingen, een intens, universeel, uitgebreid net van gebed en eucharistische aanbidding dat de hele wereld omvat, is het enige, werkelijke antwoord dat mogelijk is, op de crisis in het antwoorden op roeping. Maar er is geloof nodig! Daar waar een dergelijke biddende houding bestendig wordt beleefd, kan men zeggen dat er een waar herstel aan de gang is en dat in zekere zin de nacht voorbij is en het reeds dageraad wordt. Ik zou zozeer wensen dat ieder bisdom een centrum van, mogelijk eeuwigdurende, aanbidding had, juist voor deze intenties: heiliging van de clerus en roepingen. Dit is het meest doeltreffende en realistische pastorale plan dat er kan zijn! Hieruit zal vervolgens ook een wonderbaarlijke kracht van liefde voortkomen op alle terreinen. Probeer het en je zult het zien!

Kath. net: Vanaf 2003 tot aan uw benoeming door paus Benedictus XVI in 2007 tot secretaris van de Congregatie voor de Clerus bent u president van de Pauselijke Commissie voor de Culturele Goederen van de Kerk geweest; vanaf 2004 ook president van de Pauselijke Commissie voor de Sacrale Archeologie.
Hoe beoordeelt u de huidige toestand van de “ars sacra” die vaak wordt verward met de “ars religiosa”?

Kardinaal Piacenza: Het onderwerp is zeer ruim en zou het verdienen dat er uitvoerig op ingegaan wordt, aangezien iedere artistieke verwezenlijking getuigt van het idee dat wij van God en de mens hebben, zoals ook ieder “kerkgebouw” dat men bouwt, getuigt hetzij van het idee dat wij van de Kerk hebben, hetzij vooral van de kerkervaring die wij beleven. De Kerk is niet een sociologische menselijke ervaring, het is niet een verzameling mensen die geloven in hetzelfde! Zij is het Lichaam van Christus, een nieuw priesterlijk volk, goddelijke aanwezigheid in de wereld.

Ieder authentieke uitdrukking van sacrale kunst en iedere nieuwe kerk zou vóór alles als zodanig herkenbaar moeten zijn. Iedere mens, iedere voorbijganger, van jong tot oud, van ontwikkeld tot analfabeet, van gelovige tot atheïst, zou onmiddellijk moeten kunnen zeggen: “Dat is een kunstwerk! ...Dat is een kerk!”. Deze laatste moet bovendien monumentaal te zijn, dat wil zeggen zij moet ons spreken over de grootheid van God en moet dus ook door haar proporties verschillen van ieder ander gebouw. Een kerk, en heel de sacrale kunst moet om zodanig te zijn niet zozeer gehoorzamen aan de subjectieve originaliteit van de individuele architect of kunstenaar, als wel aan het pure en oprechte geloof van het volk, dat daarin en daardoor zal bidden. Het zijn geen “monumenten” voor de genialiteit van het individu, maar cultusplaatsen en cultusinstrumenten, gewijd aan God, waarin en waardoor men God kan ontmoeten en bijeen kan komen als zijn volk.

Kath.net: Hoe belangrijk is volgens u de viering van de liturgie voor het wezen van het leven van de gemeenschap en ook voor de zending van een nieuwe evangelisatie van de landen van de oude kerstening?

Kardinaal Piacenza: De Heilige Vader heeft er meerdere malen aan herinnerd dat met de liturgie het geloof van de Kerk leeft of sterf. Zij is tegelijkertijd een spiegel waarin het geloof zich weerspiegelt, en voedsel dat het voortdurend voedt, zuivert en ondersteunt. De oude zegswijze “lex orandi, lex credendi” behoudt vanzelfsprekend ook vandaag nog haar eigen geldigheid en doeltreffendheid.

In niet weinig gevallen heeft de genoemde poging van ontmythologisering ook de liturgie meegesleept met als enig, verwoestend effect dat zij haar opnieuw en paradoxaal reduceerde tot “voorchristelijke riten”, symbolisch interpreteerbaar en blootgesteld aan ieder subjectivistisch en relativistisch afdrijven. De liturgie is niet hoofdzakelijk een menselijk handelen, waarbij individuen vrijelijk hun eigen subjectieve emotionaliteit tot uitdrukking kunnen brengen of waarbij het noodzakelijk zou zijn iets te doen of te zeggen om eraan deel te nemen, zij is voornamelijk een handelen van Christus, die, levend en tegenwoordig in zijn Kerk God eer bewijst en bij een dergelijk goddelijk-menselijk handelen ons mensen aantrekt.
De verrezen Christus is de ware hoofdrolspeler van de geschiedenis en de liturgie en ieder menselijk handelen moet, wil het werkelijk liturgisch zijn, beantwoorden aan dit onmisbaar criterium en moet ernaar streven het hart van de gelovigen te richten op het erkennen van het absolute primaatschap van God.

Dat men de liturgie heeft gereduceerd of gebanaliseerd, is een zeer zware verantwoordelijkheid, die ten zeerste samenhangt met dat verlies van het gevoel voor het sacrale waarvan het westen slachtoffer is geworden en dat, nogmaals, voortvloeit uit de radicale ontmythologisering waarvan een bepaalde theologie zich promotor heeft gemaakt in de mening dat zij “wetenschappelijk” is.

Het antwoord op dit alles is echter te vinden in het hart van de mens, dat ondanks alles is gemaakt voor God en in wezen godsdienstig is, dus openstaat voor het transcendente en het gevoel voor het sacrale. Een christocentrische liturgie, die correct wordt gevierd, kerkelijk betekenisvol is en die de verwezenlijking is van het “Hij [Christus] moet groeien en ik integendeel kleiner worden”, dat aan Johannes doet denken (vgl. Joh. 3,30), draagt zeker bij aan de nieuwe evangelisatie van Europa en aan het herstel van dat gevoel voor het sacrale, zonder het welke ook de gepaste dialoog met andere culturen en religieuze tradities onmogelijk zou zijn.

Kath.net: Wij danken u, eminentie, voor het interview en smeken Gods zegen over u af.

(Met dank aan de heer Drs. H. Kretzers voor de vertaling van dit interview vanuit het Italiaans)
 

     
     
     
     
     
Susteren-Echt